Expositie Dordrechts Museum

Helaas is museumbezoek nog niet mogelijk maar wie weet……


Nederland is rijk aan verstokte bomenschilders. Het Dordrechts Museum eert ze met een groot overzicht.

DIEPGEWORTELD

In Diepgeworteld: Bomen in de Nederlandse schilderkunst in het Dordrechts Museum (de expositie werd georganiseerd ter ere van het vijftigjarig jubileum van de Bomenstichting) zijn zeventig schilderijen van bomen bijeengebracht, daterend van de 16de eeuw tot de huidige tijd, thematisch geordend aan de hand van subcategorieën als Verhalen (onder over Bijbelse en mythologische bomen), In de stad, In het bos, Bloei en verval et cetera. 










 

 

 

 

Reinder Homan: Beuk 1 (ets/aquatint, 2de staat), 2017.

Uit de Volkskrant: Stefan Kuiper18 februari 2021

In het Rysterbosk bij Bakhuizen (Friesland) staat een beuk. Er staan daar een heleboel beuken – daar mag iemand anders over schrijven. Déze beuk is door het leven getekend. Op zijn stam zitten littekens. Zijn bast vertelt een levensverhaal, zoals een gegroefde kop een levensverhaal vertelt, of op z’n minst die suggestie wekt. Wie er voor staat, begint haast automatisch te fantaseren over wat de beuk in zijn ruim driehonderd jaar lange bestaan allemaal heeft meegemaakt.

Reinder Homan (1950) had de beuk al een tijdje in het vizier, die dag in het vroege voorjaar van 2006. Hij voelde de aandrang om hem te etsen, maar iets had hem ervan weerhouden. Een gevoel van respect. Ontzag. Maar nu was de tijd daar: Homan trok, zoals hij het zelf zegt, ‘de stoute schoenen aan’: de beuk zou worden verbeeld. Hij deed er enkele maanden over. Homans metier is bewerkelijk en zijn karakter neigt naar het perfectionistische, vandaar.
Hierboven ziet u het eindresultaat, de tweede staat uit 2017. Zij toont de beuk vanuit een ongebruikelijk perspectief: van onder. Je ziet de boom zoals je hem zou zien als je op je rug aan zijn voet zou liggen. Het luiaardperspectief noemt Homan dat.

Niet al Homans etsen getuigen van zulke dramatische uitsneden. Op andere etsen zie je de bomen meer zoals kinderen ze tekenen: van de voet tot de kruin. ‘En van voren’ wilde ik daar aan toevoegen, maar dat is natuurlijk onzin: een boom heeft geen voor- of achterkant, elke kant is de voorkant. Maar dát er bomen op Homans etsen staan, daar kun je van uitgaan. Als jongen vertoefde hij er al graag tussen, en nu, op rijpere leeftijd, zoekt hij ze nog altijd op. Bomen zijn Homans fascinatie, misschien zelfs zijn obsessie. Ze laten hem niet los.
Hij is niet de enige. Ons land kent een aanzienlijk aantal goede, en soms meer dan goede landschapschilders, en in hun oeuvres is een bijzondere plek weggelegd voor de boom. Je kunt denken aan iemand als Siemen Dijkstra, wiens houtdrukken van bomen heel grondig zijn, met veel oog voor de atmosferische effecten van het bos, of aan Peter Durieux, die aaibare, stiekem heel geraffineerde landschappen schildert waarin bomen vaak fungeren als de bepalende zetstukken, of aan Charlotte Caspers, bij wie bomen iets melancholieks hebben, en ook iets etherisch, de stammen haast doorschijnend, de takken dun als ijzerdraad – over haar bomen-fascinatie zo direct meer. Ons land kent nog wel meer van zulke echte bomen-schilders, maar de meesten pasten niet in de thematisch bepaalde selectie van de tentoonstelling in het Dordrechts Museum.

De timing van de expositie is gelukkig, want het afgelopen jaar was ook het jaar van de boom. Hij kon zich verheugen op onze hernieuwde belangstelling. We lazen over hem in boeken die bestsellers werden, zoals Het verborgen leven van bomen van Peter Wohlleben en Valerie Trouets Wat bomen ons vertellen, en zochten ze op tijdens wandelingen door parken en (stads)bossen. Hun aanwezigheid werkte geruststellend. Tijdens lange, trage dagen in de geïmproviseerde werkkamer veranderde de boom voor ons raam van ‘dat ding dat het uitzicht blokkeert’ in een baken van stabiliteit en normaliteit.
Een deel van de aantrekkingskracht van een boom zit in zijn leeftijd, meent Charlotte Caspers (1979). Caspers, die bij een breed publiek bekend is van het tv-programma Het geheim van de meester, waarvoor ze reconstructies maakte, houdt veel van bomen en tekent en schildert ze al sinds haar jeugd. Ze houdt van berken, met die witte stam en gouden bladeren, maar ook van beuken, met hun zilveren bast die zwart is na een regenbui.
Maar in wezen heeft elke boom voor haar wel iets moois. Haar beeltenissen van bomen, vaak in ei-tempera op paneel of papier, zijn teer, stemmig, en lichtjes gestileerd, met een selectieve detaillering; de doortastendheid van (en bewondering voor) een kunstenaar als de Duitser Albrecht Dürer klinkt erin door. Een van de redenen waarom ze juist bomen zo boeiend vindt is, als gezegd, hun leeftijd, die op kan lopen tot honderden-, en in een enkel geval zelfs duizenden jaren.
Caspers: ‘Bomen zijn een soort stille getuigen. Ze hebben meer zien gebeuren dan wij in ons korte leven ooit zullen meemaken. Hun aanwezigheid werkt op een aangename manier relativerend. Wij kunnen nog zo gek doen, die bomen groeien rustig door.’

Het intrigerende van bomen zit ook in hun dualistische karakter. Ze zijn, zoals de kunsthistoricus Martin Gayford schrijft in A Bigger Message: Conversations with David Hockney, en zoals treffend wordt geïllustreerd door de etsen van Homan en de schilderijen van Caspers, als menselijke figuren in een landschap, ‘reusachtige groentes, sommige elegant, sommige sinister’. Tegelijkertijd zijn ze staaltjes van ‘ecologisch ingenieurskunst’ – die laatste frase komt van de Britse bioloog Colin Tudge, auteur van The Secret Life of Trees. ‘Natuurlijk,’ schrijft Tudge, ‘architecten creëren structuren die groter zijn en soms, zoals kerken en moskeeën, van grote schoonheid, maar een kathedraal of een moskee is gebouwd, niet gegroeid.’ Bomen wel. Juist dat ze zonder vooropgezet plan, en zonder menselijke bemoeienis, van een minuscuul zaadje zijn getransformeerd in een zelfvoorzienende gigant, is wat ze zo bijzonder maakt.

Picturaal gezien zijn bomen interessant omdat ze een indicator zijn van ruimte. Ruimte, merkt de Britse kunstenaar David Hockney (hij schilderde vele bomen) op in Gayfords boek, is niet in staat om zichzelf te definiëren. Om er een idee van te krijgen zijn markeringen nodig. Bomen lenen zich daar bij uitstek voor: ze verdelen de ruimte, maar bevatten zelf ook ruimte, vooral in hun bladerloze staat. In blad zijn ze ook interessant, want dan vangen ze licht en schaduw waaruit je kunt opmaken wat voor weer het is of welk uur van de dag. Een eik of een kastanje vertelt ons op die manier iets over de plek eromheen, maar is er tegelijk toe veroordeeld. Hij begint immers onder de grond, onder onze voeten. Anders dan bijvoorbeeld een appel, zegt Caspers, kun je een boom niet los van de wereld schilderen. Je krijgt er automatisch een stukje omgeving bij.

Er zijn trouwens ook praktische redenen waarom bomen voor kunstenaars zo aantrekkelijk zijn. Als model steken ze positief af bij mensen. Een boom is niet ijdel, zegt Reinder Homan, dat is één: ‘Hij zal je niet snel een klap met een tak op je kop geven omdat het resultaat hem niet aanstaat.’ Anders dan bij het portretteren van een mens is de relatie tussen kunstenaar en afgebeelde sowieso niet wederkerig, zegt Caspers, die al haar boomschilderijen beschouwt als portretten: ‘Bomen zijn vrijgevig: ze tolereren je gezelschap, zonder dat ze een wederdienst verwachten.’ Dat ze stilstaan, zegt Caspers, is ook best aangenaam: ‘Bij het portretteren van mensen had ik soms het gevoel dat ik mijn adem in moest houden. Voor een boomportret kunt je zo veel tijd nemen als je wilt.’

Nou ja, bijna zoveel tijd… Bomen zijn natuurlijk niet volledig statisch. Hun uiterlijk verandert, afhankelijk van de weersgesteldheid en het moment van de dag of de tijd van het jaar. Ze schieten knop. Ze krijgen blad en verliezen dat vervolgens weer. Een boom, kortom, is een model met vele gezichten, en niet elk gezicht is even aantrekkelijk, meent Caspers – niet voor haar werk althans: ‘De herfst is geweldig, de winter ook, en de lente is ook best prima, met al die grasjes en zo, maar de zomer, dat vind ik niks. Alles is dan groen, wat sowieso een lastige kleur is, en omdat de boom in blad staat zie je de structuur van de takken nauwelijks. Hooguit kun je iets doen met de schaduwvlekken op de grond. Van een afstand gezien zijn zomerse bomen ook net kinderboompjes.’
Homan daarentegen heeft geen voorkeur voor een jaargetijde: ‘Elk seizoen is op z’n eigen manier boeiend..’ Hoewel… nu hij er over nadenkt…: ‘Net voor het voorjaar begint is voor grafisch werk als het mijne toch wel het mooist.’
Het is niet eenvoudig, een werkelijkheidsgetrouwe doch poëtische boom produceren, weten beide kunstenaars – helemaal wanneer je die boom ook nog eens geïsoleerd van andere bomen wilt weergeven. Het lastige zit deels in de vorm, die dun en lang is, en de kunstenaar automatisch dwingt om afstand te nemen. In het echt, met geur en veranderend licht, is dat imposant, maar op het platte vlak oogt het al snel smal en iel (al hangt het natuurlijk af van het type boom en de manier van snoeien).
Caspers merkte het vorig jaar ook weer toen ze een bijdrage schilderde voor de tentoonstelling in het Dordrechts Museum, een tweeluik met daarop twee versies van een appelboom, een in ei-tempera, de ander in bladgoud (het goud weerspiegelt het licht in de ruimte, en verbeeldt de veranderlijkheid van een echte boom).
Model stond het appelboompje in Caspers achtertuin, een tenger ding met een ronde vork van takken. Met name de groene stam en knalrode takjes hadden haar aandacht getrokken, maar toen ze de boom op het paneel had staan, ontbrak er iets. De boom zelf had de beoogde teerheid, maar het beeld in zijn totaliteit was nog te dun. Pas toen ze een gedefinieerde achtergrond had toegevoegd, voelde het compleet.
Ook Homan is zich bewust van de discrepantie tussen een boom gezien in het echt, en een boom op het platte vlak. Daarom toonde hij bij voornoemde beuk slechts een deel van de stam, en dan ook nog van onder gezien. Op die manier kreeg hij een fraaie vlakverdeling. Overal in het beeld gebeurt iets.

Wie een boom goed wil kunnen weergeven, weet Charlotte Caspers, moet in de eerste plaats weten waaróm hij of zij die boom wil weergeven: ‘Ik laat het onderwerp net zo lang door me heen gaan totdat ik weet wat het verhaal is dat ik erover wil vertellen.’ Zo’n zelf opgelegd filter is nodig, zegt ze. Schilder je voor de vuist weg, dan verzuip je geheid in de overvloed aan bladeren, knoesten en andere details. Bij de voornoemde appelboom is daarvan geen sprake. Dat werk vertelt een verhaal over schuchterheid en kwetsbaarheid, de boom is tenger als het nog niet uitgebotte lichaam van een kind. Homans beuk vertelt ook een verhaal, al is dat theatraler. Als een dronken bokser lijkt zijn boom met zijn takken om zich heen te slaan. Homan zette in op dramatiek. Hij wilde de kijker imponeren.
Tegelijkertijd, weet Homan, is zo’n ordenend sjabloon slechts de helft van het verhaal. Je moet de boom ook altijd blijven bekijken. Ook daar waar de dingen zich amper laten bekijken, zoals de twijgjes helemaal in de top van de kruin. Ook die moet je goed observeren. Om zichzelf daartoe te dwingen, vertelt Homan, hield hij tijdens het werken aan zijn beuk een paar echte twijgjes in zijn atelier. Bij wijze van aansporing. Niet verslappen, Reinder, zeiden zij.
Zulke grondige aandacht werkt aanstekelijk. Het laat ons net iets scherper kijken wanneer we weer eens een echte beuk of appelboom passeren.
Bomen verdienen die aandacht, meent Charlotte Caspers: ‘Ze leveren ons zuurstof en filteren fijnstof uit de lucht; verkoeling bieden ze ook. We moeten zuinig op ze zijn. Als mijn schilderijen aan dat besef bijdragen, dan is dat een mooie bijvangst.’